Ontslagbescherming voor wie taken van een preventieadviseur vervult

Met zijn arrest van 18 november 2024 heeft het Hof van Cassatie de vraag behandeld of een werknemer die feitelijk de functie van preventieadviseur uitoefent, maar niet formeel is aangesteld, kan genieten van een ontslagbescherming. Het antwoord is ‘ja’: een formele aanstelling is niet vereist opdat de preventieadviseur kan genieten van de ontslagbescherming.

Korte “recap”: de ontslagbescherming van de preventieadviseur

Om de onafhankelijkheid van een preventieadviseur tegenover de werkgever te garanderen, geniet een preventieadviseur van een bepaalde ontslagbescherming.

Verschillende scenario’s bij een ontslag zijn denkbaar, maar wanneer de werkgever een einde wil maken aan de tewerkstelling van een preventieadviseur, dan is het algemene uitgangspunt dat:

  • de ontslagreden vreemd moet zijn aan de onafhankelijkheid van de preventieadviseur,

  • of dat het ontslag juist wordt gegeven om de reden dat de preventieadviseur niet bekwaam is om zijn opdrachten uit te oefenen.

De werkgever moet een bepaalde procedure volgen om de preventieadviseur te kunnen ontslaan.

Bij miskenning van de procedure, kan dit de werkgever zuur opbreken. De werkgever moet dan een beschermingsvergoeding betalen die overeenstemt met het lopend loon voor de bestede tijd aan de functie van preventieadviseur voor een periode van 2 of 3 jaar (afhankelijk of de preventieadviseur meer of minder dan 15 jaar anciënniteit heeft).

De zaak

In de zaak waarover het Hof van Cassatie uitspraak moest doen, was een werknemer in dienst getreden bij een OCMW als ‘verantwoordelijke preventiedienst’, nl. verantwoordelijke voor een gemeenschappelijke interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.

Iets meer dan een maand later besliste het OCMW om de werknemer te ontslaan.

De werknemer eiste een beschermingsvergoeding omdat de procedure ter bescherming van preventieadviseurs niet was nageleefd.

De werkgever betwistte dit en voerde aan dat de werknemer geen ontslagbescherming genoot omdat die niet formeel was aangesteld als preventieadviseur. De Codex Welzijn op het Werk bepaalt immers dat een preventieadviseur door de werkgever wordt aangeduid, na voorafgaand akkoord door het comité voor preventie en bescherming op het werk. Dat was niet het geval (wellicht gezien die korte periode van tewerkstelling van iets meer dan één maand).

Hoewel de werknemer dus niet formeel als preventieadviseur was aangesteld, vervulde hij gedurende de (korte) tewerkstelling feitelijk wel de taken van een preventieadviseur (taken inzake welzijn). Volgens de werknemer was dit voldoende om ontslagbescherming als ‘preventieadviseur’ te genieten.

De beslissing van het Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie volgde de visie van de werknemer. Het Hof besliste dat een werknemer die de aan een preventieadviseur toevertrouwde welzijnsopdrachten feitelijk vervult de ontslagbescherming geniet, ook al is hij daartoe niet formeel aangesteld door de werkgever.

De beslissing bevat geen verdere argumentatie. Daarvoor kan teruggegrepen worden naar de conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie.

De redenering is als volgt.

De Codex Welzijn op het Werk bepaalt dat een preventieadviseur door de werkgever wordt aangeduid, na voorafgaand akkoord door het comité voor preventie en bescherming op het werk. Die aanstellingsprocedure raakt de openbare orde;  de niet-naleving ervan kan strafrechtelijk worden gesanctioneerd. We raden dus alle werkgevers aan om deze aanstellingsprocedure te volgen.

Maar dat deze aanstellingsprocedure niet gevolgd is, belet niet dat een werknemer kan voldoen aan de definitie van een ‘preventieadviseur’ in de zin van de Wet van 20 december 2002 die de ontslagbescherming regelt. Die wet omschrijft een preventieadviseur als:

  • een natuurlijk persoon

  • verbonden aan een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk

  • met wie de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten

  • en die daadwerkelijk tewerkgesteld wordt door die werkgever en die de opdrachten vervult die vermeld zijn in (bepaalde artikelen in) de welzijnswet

Het volgen van de aanstellingsprocedure is daarentegen geen criterium!

Conclusie: niet de vorm, maar de feitelijke situatie telt

Een werknemer die de welzijnsopdrachten die (in principe) aan een preventieadviseur worden toevertrouwd, feitelijk vervult, geniet de ontslagbescherming.

De uitoefening van die taken volstaat; een formele aanstelling is niet vereist.

In de onderliggende zaak genoot de betrokken werknemer ontslagbescherming, niettegenstaande het comité voor preventie en bescherming op het werk zich niet voorafgaandelijk akkoord had verklaard met de aanduiding.

Maar ook in een andere situatie zou dit Cassatie-arrest relevant kunnen zijn: als niet de preventieadviseur, maar wel een andere werknemer de aan een preventieadviseur toevertrouwde welzijnsopdrachten feitelijk vervult, dan zal die laatste werknemer de ontslagbescherming genieten.

Een werkgever die wil overgaan tot ontslag van een werknemer die niet aangesteld is als preventieadviseur, maar die wel welzijnsopdrachten vervult, is best voorzichtig. De werkgever gaat best na of de betrokken werknemer ‘feitelijk’ als een preventieadviseur beschouwd kan worden.

Karel Theuns en Wouter Parmentier

Heeft u nog vragen ? Commit Advocaten helpt u graag verder.

Ondanks alle zorg die besteed is aan het opstellen van deze tekst, blijven vergissingen en/of onvolkomenheden mogelijk. De auteur en Commit Advocaten bv kunnen daarvoor geen aansprakelijkheid aanvaarden.